Lokale RO springlevend

Meerwaarde van Ruimtelijke Ordening

24-10-2014

In het onderzoek ‘Gemeenten over de meerwaarde van Ruimtelijke Ordening’ (zomer 2014) van de Universiteit Utrecht en Inbo vroegen wij een groot aantal Nederlandse gemeenten naar wat de overwegingen zijn om op dit moment ruimtelijke ordening te bedrijven. Wat belemmert en verleidt hen? En hoe bereiden zij zich voor op hun nieuwe positie ten opzichte van initiatieven in de samenleving en de herpositionering van corporaties en andere marktpartijen?

De enquête onder en interviews met bestuurders en ambtenaren van gemeenten wijst uit hoe actief het lokaal bestuur zich voorbereidt op de nieuwe werkelijkheid, haar nieuwe rol en de verhoudingen met marktpartijen en de samenleving. Lokale ruimtelijke ordening is springlevend, maar dan wel behoorlijk anders dan gemeenten vroeger werkten:

  • Initiatieven vanuit de samenleving (bewoners, ondernemers, maatschappelijke instellingen) bepalen, meer dan ooit, de agenda van gemeenten. Gemeenten bereiden zich voor op het scheppen van juiste voorwaarden en proberen de bekende valkuilen te voorkomen: initiatiefnemers overvragen, initiatiefnemers overspoelen met procedures en initiatieven overnemen.
  • Gemeenten hebben uiteenlopende motivaties bij het mogelijk maken van initiatieven uit de samenleving. Hierover moeten gemeenten, naar zichzelf en naar de samenleving, duidelijk worden. Want wat gemeenten motiveert, bepaalt in belangrijke mate wat de samenleving kan verwachten en hoe er samen gewerkt wordt. Gaat het gemeenten om te bezuinigen en/of het realiseren van een compacte overheid? Onderkent de gemeente dat het afhankelijk is van de kennis, ervaring en inzet van de samenleving en het niet alleen kan? Is het organiserend vermogen van de samenleving goed in beeld? Hebben locaties waar de initiatieven zich op richten voldoende potentie?
  • In het voorwaarden scheppen, vervullen gemeenten verschillende rollen: van regelen, inviteren, stimuleren tot loslaten. Het proces, met afspraken over condities, verantwoordelijkheden, ondersteuning en resultaten, is hierin leidend. Het maken van een ruimtelijk plan is van ondergeschikt belang, maar zeker niet overbodig.

Deze en andere conclusies worden de komende tijd in workshops met geënquêteerde gemeenten verder verdiept en geoperationaliseerd. Parallel hieraan benut Inbo de conclusies al bij het maken van structuurvisies, stedenbouwkundige ontwikkelingsstrategieën en masterplannen.

Meer informatie: Guido Wallagh