Het belang van doodnormale plekken

In gesprek met Guido Wallagh

21-04-2020

Plekken van ons allemaal
“Na mijn studie planologie mocht ik direct ‘voor het echie’ aan de slag. Ik startte in 1995 als assistent-projectleider met de vernieuwing van de Mercatorpleinbuurt in Amsterdam West. De leefbaarheid van deze buurt stond in die tijd behoorlijk onder druk door achterstallig onderhoud aan openbare ruimte en woningen, maar vooral door toenemende criminaliteit. De kogels vlogen letterlijk om je oren. Het plein zelf werd symbool voor een buurt in verval, terwijl de oorspronkelijke ontwerper, H.P. Berlage, het bedoeld had als huiskamer van de buurt. Toen het projectteam een ingrijpende herinrichting voorstelde, te beginnen met dagen en nachten flinke geluidsoverlast door het verleggen van tramrails, verwachtten wij veel cynisme en weerstand in de buurt. Het tegendeel bleek waar. Men waardeerde het juist enorm dat het plein als eerste op de schop ging. Het is een rotplein, maar wel ons plein – dat idee. De buurt verlangde zo naar een plein om elkaar te ontmoeten en trots op te zijn. Wie nu het plein bezoekt, ziet dat dit verlangen realiteit is geworden. Het plein bruist. In de zomer is er een openlucht bioscoop. Kinderen trappen er een balletje. Het terras is vrijwel altijd vol. Vanaf de bankjes is het zien en gezien worden. De winkels en voorzieningen eromheen zorgen voor veel beweging. Het is echt een plek van en voor de hele buurt”

Guido Wallagh, partner-adviseur van Urban Strategy (Inbo), vertelt deze anekdote enthousiast vanuit zijn werkkamer via een wat haperende videoverbinding. Het is half maart 2020, week 2 van de door Corona opgelegde quarantaineperiode. Een tijd waarin we tegen wil en dank aan ons huis gekluisterd zijn en we ervaren hoe snel we plekken missen waar we elkaar kunnen ontmoeten.

De goede publieke plek                   
“Onze huidige samenleving is sterk geïndividualiseerd, verandert snel en biedt ons de (digitale) mogelijkheden om overal op elk moment van de dag ook elders aanwezig te zijn. Hierdoor vergeten we bijna hoe belangrijk ook traditionele ontmoetingsplekken zijn. Plekken waar je verrast wordt, toevallig bekenden en onbekenden ontmoet en nieuwe indrukken opdoet. Dit hoeft niet op het mooiste plein, park of andere openbare ruimte van ons land te zijn. Het schoolplein, het perron van een treinstation, de sportkantine, de bouwmarkt, de hal van een bibliotheek, het parkeerterrein, een trapveldje om de hoek of een bankje aan de waterkant kunnen even zo zeer openbare plekken zijn die ons betekenis geven en waaraan wij betekenis ontlenen.”

“Een blauwdruk voor het ontwerp van deze openbare ontmoetingsplekken is er niet. Sterker nog, ik heb de indruk dat de meest doordachte openbare plekken vaak na verloop van tijd hun betekenis en verbindende kracht verliezen. Het over-ontwerpen is een valkuil, omdat het teveel bedacht is en – letterlijk en figuurlijk – er te weinig ruimte is om mee te bewegen met veranderingen in de samenleving. Zelf ervaar ik dit bijvoorbeeld op het Museumplein van Amsterdam. Een royale openbare ruimte midden in een hectische stad. Een plek die tot op de millimeter bedacht en doorontworpen is. Voor iedereen lijkt er een plekje weggelegd: voor de moeder met kind bij het fonteintje, voor de flanerende toerist die zichzelf vastlegt met het Rijksmuseum als decor, voor degenen die op een terrasje iets drinken, voor de skaters en basketballers verderop en voor bezoekers van evenementen. Prachtig bedacht, voor ieder wat wils. Dat zou je denken. Maar als gezamenlijke plek van ontmoeting, spiegeling en verrassing werkt het een stuk minder.

Mijn indruk is dat de opgave misschien wel andersom moet zijn. Hoe maak je van het Museumplein een doodnormale plek? Een plek die juist uitwisseling optimaal stimuleert. Een plek die van ons allemaal is. Een bijna tijdloze plek. Zoals, hoe raar dat misschien ook klinkt, een sportkantine of voetbalveldje om de hoek.”

Het geliefde olifantenpaadje
“Ik heb geenszins de pretentie om op basis van mijn ervaringen een ‘handboek doodnormale plekken’ te schrijven. Wel weet ik door die jarenlange ervaring met welke vragen je tot betekenisvolle openbare ruimtes komt. Een voorbeeld hiervan is De Wierden, een jaren tachtigbuurt in Almere Haven. Ook weer een buurt in dreigend sociaal verval. Eén van de antwoorden was inbreiding, met als gehoopte uitkomst meer variatie in het woningaanbod. Hierdoor verhuisden ouderen naar een gelijkvloers appartement in hun eigen buurt. De vrijgekomen eengezinswoningen gingen naar jonge gezinnen. Een logisch idee dat deels ook werkte. Echter, in de aanvankelijke locatiekeuze voor deze inbreiding maakte men een nare denkfout. De professionals, waaronder ik, hadden een ruimtelijke analyse gedaan naar het vele groen in de buurt. Op basis daarvan kozen we vijf inbreidingslocaties. Goed beredeneerd in termen van ligging, afstand tot bestaande woningbouw en stedenbouwkundige kwaliteit. Wat niet in de analyse stond, was het feitelijke gebruik van het groen. Drie van de vijf nieuwe woningbouwprojecten planden we precies op de olifantenpaden van de buurt. Oftewel, informele routes en plekken die bewoners gebruikten als snel weggetje door de buurt, voor een barbecue of om even ‘een peukje te doen’. Waar professionals onderscheid maken tussen gebruiksgroen, kijkgroen en belevingsgroen, ervaren buurtbewoners het groen vaak anders. Ze omarmen plekken in het groen, die door de professionals over het hoofd worden gezien. De doodnormale plekken gingen bijna verloren. Gelukkig is dit voorkomen dankzij behoorlijke weerstand uit de buurt.”

Weerstand is ook betrokkenheid
“Weerstand in een buurt wordt snel uitgelegd als een verzet tegen verandering. Zeker daar waar het om inbreiding gaat en dus om een verlies van openbare ruimte. Mijn ervaring is echter dat weerstand staat voor betrokkenheid en het verlangen naar openbare plekken die er toe doen. Een goed voorbeeld hiervan is het participatietraject dat we begeleidden voor het centrum van Emmeloord. Al tien jaar maakte men plannen, maar nergens was draagvlak voor. Hierdoor werd er nauwelijks geïnvesteerd en ging het centrum alsmaar verder achteruit. Totdat het gemeentebestuur de bal bij de samenleving legde. Via het participatieproces vroegen we aan bewoners, ondernemers en eigenaren wat voor centrum zij willen en wat hiervoor moet veranderen. Zonder luchtfietserij, want het gemeentebestuur gaf bij aanvang van dit proces een aantal duidelijke spelregels mee. Zoals de financierbaarheid van de ideeën en het belang van een centrum voor iedereen. Het proces leverde drie scenario’s op, met het grootste draagvlak voor de meest vergaande variant. In dit scenario werd het winkelgebied compacter, kwamen er woningen op een deel van de parkeervelden en was er openbare ruimte met veel meer groen en plek voor tijdelijke activiteiten. Zoals een ijsbaan die men nog tijdens het participatieproces testte. Dit was een groot succes en bracht jong en oud bij elkaar. Een ervaring die vele bewoners en ondernemers lange tijd gemist hadden in het centrum.”

Niemands plek
Als weerstand een uitdrukking is van betrokkenheid en wij dit benutten in het ontwerpproces, zou dit in theorie altijd leiden tot plekken van ons allemaal. Maar is dat wel zo?

“Het concreet maken van verwachtingen, belangen, zorgen en weerstand en deze vervolgens vertalen naar goede openbare ruimtes, past in onze Nederlandse traditie van overleggen, polderen en het maken en vermaken van ruimte. Ik begon dit gesprek met mijn studie planologie en herinner me nog een definitie, namelijk: ruimtelijke ordening is de wederzijdse aanpassing van ruimte en samenleving, zulks ter wille van de samenleving. Een prachtige definitie die ruimte dienend maakt aan ons allemaal. Tegelijkertijd moet ik soms ook constateren dat ruimteclaims, belangen en verwachtingen onverenigbaar zijn. Zo mocht ik recent bemiddelen voor de Oude Kerk in Amsterdam. Hier zochten de kerkgemeente, de erfgoedorganisaties, het museum voor moderne kunst en de gemeente naar een gezamenlijke programmering van een van de oudste plekken van samenkomst in de stad. Dit gesprek was niet voor niets een bemiddeling, omdat de partijen in de periode ervoor elkaar vooral troffen via de media en juridische wegen. Helaas bleek ook in de bemiddeling dat soms geen gemeenschappelijkheid gevonden wordt in de waarde, de betekenis en het feitelijk functioneren van een plek. Misschien moet hier een scherpere keuze gemaakt worden, met als gevolg dat deze plek niet meer helemaal van ons allemaal is. Ook dat hoort bij ons werk.”

Interview: Eva Bremer
Fotografie: Marian van de Veen
Meer informatie: Guido Wallagh